| Uitgebreide genealogie van het Friese geslacht Van Slooten
Dit genealogiebestand is vervaardigd met Legacy (R) 6.0.op 29 oktober 2007
Abes, Elzinga, Faber, Fontein, de Jong, van Slooten, Slumpff, Teves, de Vries, Westra, van der Woude, Wyaerda, Zelle
7 september 2010 - 12:45:12 Bezoekteller: ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() Langzamerhand is de achterstand, als gevolg van chronisch tijdgebrek, ingehaald. Vooral de Indische tak blijkt zeer uitgebreid te zijn. Inmiddels zijn ook de nodige Van Slooten's in Australië, gerelateerd aan de Indische tak, getraceerd. Een nieuwe doelstelling is om meer gebruik te maken van accounts. Het basisidee van PhpGedView, de motor waar deze site op draait, is immers dat niet 1 persoon alle gegevens invoert, maar meerdere personen. Kijk hier voor meer informatie: http://wiki.phpgedview.net/en/index.php?title=What_is_PhpGedView. Een account is aan te maken via het tabblad 'MyGedView' en moet eerst goedgekeurd worden alvorens ermee gewerkt kan worden. Tot slot: op 10 april 2010 is een aantal indexbestanden geschoond. Als gevolg hiervan zijn o.a. de bezoekteller, de tellers bij 'Meest bekeken gegevens' en de teller bij alle individuen naar 0 gereset. De bezoekteller stond voorafgaand aan deze actie op ruim 45.000. In 2007 ben ik gestart met genealogisch onderzoek naar de oorsprong van mijn achternaam: Van Slooten. Behalve het feit dat Nederland twee Sloten's kent (in de buurt van Amsterdam en in Friesland), foto's van mijn opa en overgrootopa, die ik beiden nooit gekend heb, een handvol verhalen van mijn vader, oma en zus van mijn oma, brieven, een schilderij van naar nu blijkt een oudoom van m'n vader, trouwboekjes en persoonlijke goederen als servetringen met inscriptie, twee zakhorloges, een vulpen en een kristallen karaf met bijbehorende glazen, wist ik niets over mijn roots. Met de gegevens uit de trouwboekjes ben ik aan de slag gegaan. http://www.genlias.nl/ en Google brachten mij al snel op het spoor van de website van Marijke Lambermont, waar veel over het Friese geslacht Van Slooten te vinden is. Sinsdien is er een venster op het verleden voor me opengegaan, met deze website als gevolg. De huidige intentie van de website is: 1. De volledige genealogie van het Friese geslacht Van Slooten t/m heden in kaart te brengen; 2. Waar mogelijk foto's, illustraties en andere interessante achtergrondinformatie toe te voegen; 3. Hier en daar takken verder uit te werken die op de een of andere manier de moeite van het onderzoeken en vermelden waard zijn; 4. Van een uitgebreide genealogie, wat de website nu is, streef ik naar een volledig parenteel van het Friese geslacht Van Slooten, maar voorlopig is dit nog niet aan de orde. Als belangrijkste bronnen voor de genealogische gegevens zijn 'Genealogie van het Friesche geslacht Van Slooten' van H.G. van Slooten en 'Nederland's Patriciaat 77 (1993)' gebruikt. Het boek van H.G. van Slooten vermeldt alle Friese Van Slootens tot circa 1940. 'Nederland's Patriciaat deel 77' vult hier en daar ontbrekende gegevens aan, maar alles bij elkaar levert dit geen compleet beeld op. Deze website stelt zich ten doel de ontbrekende gegevens waar mogelijk aan te vullen. Hier en daar zijn op internet gevonden genealogische gegevens van voorouders van aanverwanten uitgewerkt. De hieraan gerelateerde gezinnen zijn meestal niet volledig uitgewerkt (uitsluitend in een rechte lijn). Getracht wordt het nageslacht van (van oorsprong) Friese Van Slootens wel zo volledig mogelijk uit te werken (ook in de vrouwelijke lijn, dus parenteel in plaats van genealogie). Mocht u geïnteresseerd zijn in aanvullende genealogische gegevens van aanverwanten, zoek dan in de brongegevens de link naar de genealogische website waar ik de gegevens vandaan heb gehaald. Op de website is meer informatie te vinden dan u mogelijk denkt. Klik bij de favorieten op deze pagina bijvoorbeeld eens op het 'vergrootglas'. Met het icoontje onder het 'vergrootglas' kunt u gemakkelijk allerhande genealogische informatie oproepen. Via de button 'Overzichten', bovenaan aan het scherm, kunt u onder meer de verwantschap tussen twee personen grafisch op uw scherm laten zien of familieboeken. circeldiagrammen en kwartierstaten maken. Ook kunt u personen zoeken per locatie en allerlei rapporten generen. Het leukste wat de de genealogische speurtocht tot nu toe heeft opgeleverd is het schilderij van Jane Janes van Slooten. Deze oudovergrootvader lijkt griezelig veel op zowel mij als mijn vader. Ik hoop het schilderij nog eens in het echt te kunnen zien. Ik ben ook minder aangename zaken tegengekomen. Zo zijn tenminste twee Van Slootens en Margaretha Geertruida Zelle (Mata Hari) - verre familie - gefusilleerd. Hier een daar zijn Van Slootens met elkaar getrouwd. Soms is een bruid of moeder wel heel erg jong. Ook heb ik kunnen herleiden dat Thomas (Janes) van Slooten (1761-1832), een oudovergrootvader, rond zijn 34ste in ernstige financiële moeilijkheden is geraakt (door het Hof van Friesland onder curatele gesteld). Ik ga dit soort feiten uit het verre verleden niet uit de weg. Het is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. De informatie op grond waarvan deze feiten zijn herleid is openbaar. Feiten zijn feiten, gebeurd is gebeurd, historie is historie. Uiteraard wordt dit soort privacygevoelige informatie niet vermeld bij het huidige nageslacht. Inmiddels hebben een aantal verre familieleden deze website gevonden en zijn me een aantal foto's toegestuurd, die ik binnenkort zal plaatsen. Mocht u vragen, op- of aanmerkingen, correcties of aanvullingen hebben, neem dan contact met me op. Mijn e-mailadres is op diverse plekken te vinden. Met vriendelijke groet, Rob van Slooten Weinig Nederlandse auteurs hebben in hun werk het aristocratisch-burgerlijke familieleven van het fin-de-siècle zo nauwgezet en overtuigend vastgelegd als de uit dat milieu afkomstige Haagse schrijver Louis Couperus. Familiebelangen, familietradities en vooral de dreigende teloorgang van familiegevoelens zijn bijvoorbeeld kernthema’s in Couperus’ romancyclus Boeken der kleine zielen die tussen 1901 en 1903 verscheen. Al in het eerste deel van Nederland’s Patriciaat, verschenen in 1910, werd het geslacht Couperus opgenomen. Toen werd nog verondersteld dat het geslacht uit Schotland stamde - de vader van Louis, geboren in Indië waar hij een hoge rechterlijke betrekking had, meende zelfs dat zijn verre voorgeslacht tot de oude Schotse adel behoorde. Inmiddels weten we dat dit alles niet klopt en dat het genealogisch spoor naar Friesland leidt en wel naar Friese kuipers en predikanten. In het derde kwart van de achttiende eeuw bracht een Couperus het tot schepen en vroedschap van Leeuwarden; zijn zoon, Louis’ overgrootvader, vertrok als onderkoopman van de VOC naar de Oost, klom vervolgens op tot gouverneur van Malakka en besloot zijn imposante carrière als raad van Indië. Met het Friesland van zijn voorouders moet de schrijver welhaast een speciale band hebben gevoeld. Niet alleen in de Boeken der kleine zielen maar ook in andere familieromans van zijn hand stuiten we regelmatig op typisch Friese namen. Zo draagt in Metamorfose, zijn meest autobiografische roman, de hoofdpersoon - in feite het alter ego van Couperus - de opvallende naam Hugo Aylva, naar een roemrucht, in 1827 in mannelijke lijn uitgestorven Fries adellijk geslacht. Juist in het laatste kwart van de negentiende eeuw waren overigens vrij veel Friese adellijke en patricische gezinnen naar Den Haag verhuisd en in de daar bestaande coterieën opgenomen. Friese geslachten in Nederland’s Patriciaat De wereld van de Friese voorouders van Couperus treffen we ook regelmatig aan in de in dit deel bijeengebrachte genealogieën van veertien geslachten die, ieder op hun eigen wijze, een markante positie hadden binnen de Friese samenleving van de (late) achttiende en negentiende eeuw. Na eerdere themadelen van Nederland’s Patriciaat over Rotterdamse en Amsterdamse geslachten bevat dit Friese deel twaalf genealogieën van geslachten die al eerder daarin een plaats hadden gekregen èn twee genealogieën van nog niet eerder opgenomen geslachten (Bloembergen en Oosterbaan). Bij de selectie van de families golden zowel de thans gebruikelijke criteria voor opname in de blauwe reeks als de voorwaarde dat een familie gedurende een groot deel van de negentiende eeuw overwegend in de huidige provincie Friesland woonachtig was geweest. De meeste van de geselecteerde veertien families bewoonden en bewerkten overigens al eeuwen eerder “it beste lân fan’e ierde”, en hadden daarna, meestal in de loop van de zeventiende eeuw, het platteland voor een meer stedelijke omgeving verwisseld. Van twee geslachten (Huber en Mulier) weten we zeker dat hun zestiende-eeuwse stamvaders buiten Friesland leefden. Beschouwen we de woonplaats van de stamvader als plaats van herkomst van een geslacht, dan vertegenwoordigen ruim zeventig geslachten Frieslands aandeel in het Nederlandse patriciaat; dat is ongeveer 7% van het totaal aantal (circa duizend) uit Nederland afkomstige, als patricisch beschouwde geslachten - een uitkomst die globaal gezien gelijk is met het aandeel van Friesland in de gehele Nederlandse bevolking tussen 1700 en 1900. De steden en het platteland van het gewest leverden in deze telling een vrijwel gelijk aantal stamvaders. Opvallend is de kwantitatief sterke vertegenwoordiging van de stad Harlingen onder het Friese patriciaat, namelijk ongeveer een kwart van het totaal. Tijdens de Republiek en ook nog na 1795 kende Harlingen een vrij gesloten groep van, regionaal gezien, zeer bemiddelde, nauw met elkaar verzwagerde, doopsgezinde families. Zoals bekend waren ten tijde van de Republiek hoge maatschappelijke posities en ambten slechts voorbehouden aan leden van de bevoorrechte gereformeerde kerk. Dit feit weerspiegelt zich ook in de selectie voor dit Friese themadeel, men treft er namelijk geen katholieke geslachten in aan - wel een relatief groot aantal van oudsher doopsgezinde families (Cats, Feenstra, Hannema en Oosterbaan). Het was de Bataafs-Franse tijd die voor deze doopsgezinde, vaak reeds gezeten burgers een doorbraak betekende wat hun politieke invloed en economische welstand betreft. Over de achtergronden van het patriciaat in Friesland Alvorens we de veertien families wat nader gaan bekijken, moet toch eerst nog iets worden gezegd over het patriciaat in de Friese geschiedenis. Evenals Frieslands adel uit de tijd van de Republiek valt ook het patriciaat van dit gewest niet op eenvoudige wijze direct te omschrijven en te begrenzen als aparte groep of stand. Een belangrijk probleem in dit verband - we bepalen ons alleen tot de Friese situatie ten tijde van de Republiek - laat zich als volgt omschrijven: vormde het Friese patriciaat louter een politieke elite van (gereformeerde) regenten of ook een sociale bovenlaag van rijke en aanzienlijke (inclusief niet-gereformeerde) families? En vervolgens: verstaan we onder regenten alleen bestuurders van stemhebbende steden en stedelijke volmachten in de Friese Statenvergadering òf ook de niet-adellijke plattelandsregenten die namens hun grietenijen in genoemde vergadering verschenen? Wie meent dat het formele criterium van het lidmaatschap van de vroedschap van één van de Friese elf steden hier uitkomst brengt, komt voor de volgende verrassing te staan. Rond het midden van de achttiende eeuw woonde slechts 30% van de Friese bevolking in een stad; negen steden telden minder dan 4.000 inwoners, waaronder twee (Sloten en IJlst) zelfs minder dan 1.000. Niettemin kenden de Friese steden, naar Hollands model, omvangrijke vroedschappen, met vaak enkele tientallen, door coöptatie gekozen, leden. Met zijn ongeveer driehonderd stedelijke regenten leverde Friesland maar liefst een vijfde deel van het totale aantal magistraats- en vroedschapsleden van alle stemhebbende steden in de Republiek. Nader onderzoek leert dan snel dat het overgrote deel van dit Friese ‘patriciaat’ uit lagere sociale strata werd gerecruteerd dan bijvoorbeeld de Hollandse stadsbestuurders. Bovendien beschikten de Friese steden over slechts één stem in de gewestelijke statenvergadering tegenover de drie van de vooral door de adellijke en niet-adellijke grietmannen gedomineerde plattelandskwartieren. Het stedelijk kwartier omvatte elf steden en elk van de drie plattelandskwartieren negen tot elf grietenijen, samen dertig. Het bekende gezegde “op zijn elf en dertigst” heeft vermoedelijk betrekking op de traagheid die de besluitvorming in de Friese Statenvergadering kenmerkte. Een eigentijdse bron, Ferwerda’s in 1760 te Leeuwarden uitgegeven Adelyk en Aanzienelyk wapen-boek van de Zeven Provinciën, typeerde juist vooral deze niet-adellijke plattelandsregenten als de “patrice familien in Friesland”. In de praktijk van de achttiende-eeuwse politiek was het trouwens de stadhouder die, zeker na 1748, op formele (de magistraatsbestelling) èn informele (de inschakeling van een vertrouweling in de vroedschap, de zogeheten ‘premier’) wijze aan de politieke touwtjes trok in de Friese steden. Niet voor niets wenste een groot deel van de Friese gezeten burgerij in de Patriottentijd dat dit stadhouderlijk systeem van politiek cliëntelisme werd opgeruimd. We komen er evenwel niet uit wanneer we naast de politieke ambten en invloed niet ook het sociale element, dat wil zeggen door rijkdom gedragen aanzien en eventuele verzwagering aan adellijke en andere aanzienlijke families in stad en streek, in onze omschrijving van het patriciaat betrekken. Bezie bijvoorbeeld eens de visie op “het onderscheit der menschen” van Frieslands meest invloedrijke jurist vanaf de late zeventiende eeuw, de Franeker hoogleraar Uhicus Huber. Na in zijn Heedensdaegse RechtsgeZeertheyt (1686) adeldom in verband te hebben gebracht met de “begiftinge van Souveraine Prinsen” en met “het Volk” dat edellieden hun naam en rechten gunde, onderscheidt Huber vervolgens de niet-adellijke Friezen in ‘Eigenerfden’ en ‘Gemeine Ingezetenen’. De eersten, die eigenaar zijn van stemdragende landgoederen, vallen weer onder te verdelen in ‘voornaem’ en ‘gemein’. De voorname eigenerfden zijn “van oude of ryke geslachten, inzonderheit waer van veele in de regeeringe ende treffelyke ampten zyn geweest”. ‘Gemeine Ingezetenen’, tenslotte, zijn ‘Borgers’ of ‘Huislieden’; de eersten wonen in de steden, de rest ten plattelande “om het velt te bouwen”. De voornaamste, oude en rijke geslachten van eigenerfden mogen wat Huber betreft - mede ook omdat velen uit die kring, althans vóór 1748, “als edelman” zitting namen in de Friese Statenvergadering - voor edellieden worden gehouden. Duidelijk wordt dat Huber grote nadruk legt op grondbezit en op de hoge functies die eerdere generaties bezaten. In dit verband noemt Huber ook nog de Romeinen, die “een hooger soorte van Adel [hadden], die sy Putricios noemden”. Inderdaad zijn in de negentiende eeuw onder Willem I vrijwel alleen nazaten van het Friese ‘plattelandspatriciaat’ (families die in meerdere generaties grietmannen leverden, zoals bijvoorbeeld Van Andringa de Kempenaer, Van Sminia, Lycklama à Nijeholt en Van Scheltinga) in de adelstand verheven. Het stedelijk patriciaat in Friesland kwam daarvoor niet in aanmerking - ook niet die van de twee grootste steden, Leeuwarden en Harlingen. Vatten we het bovenstaande samen, dan kan men moeilijk in het Friesland ten tijde van de Republiek het (stedelijk) patriciaat gelijk stellen met de groep van stedelijke regenten. Voor het gewest Holland kan men heel wel onder patriciaat verstaan de sociale groepering van rijke en aanzienlijke burgers waaruit de politieke groep van de stadsregenten werd gerecruteerd; deze laatste groep domineerde ook de gewestelijke politiek. In Friesland lag de zaak ingewikkelder. Vele stedelijke regenten, met name die uit de kleinere steden, waren niet rijk en aanzienlijk genoeg om als patriciër beschouwd te kunnen worden. In feite kwamen daarvoor alleen in aanmerking de rijkste en voornaamste families in steden als Leeuwarden, Harlingen, Sneek, Franeker en Dokkum, hoewel een deel van hen doopsgezind was en op grond daarvan weer buiten het bestuur en de ambten stond. Men zou deze groep, die ook betrokken was bij de gewestelijke politiek, eventueel kunnen aanvullen met families die in meerdere generaties premiers leverden of over hogere dienende ambten en ‘buitencommissiën’ beschikten. Toch blijft het opvallend dat men in de achttiende eeuw in Friesland zelf de term ‘patricisch’ associeerde met de grietmansfamilies van het platteland. Tenslotte zou men, met als sleutelcriterium het lidmaatschap van elitaire, gewestelijke sociëteiten, het volgende beeld van Frieslands sociale elite van de tweede helft van de achttiende eeuw kunnen geven: aan de top de vaak nog rijke en machtige adel, onmiddellijk daarop volgend de groep van niet-adellijke grietmannen en premiers, en als derde laag de bekleders van hogere ambten, die vaak afkomstig waren uit de meer deftige en geleerde burgerij. Opmerkelijk detail: aan het einde van de achttiende eeuw bezaten nagenoeg alleen de adel en niet-adellijke grietmannen eigen equipage. Karakteristiek voor deze drie lagen was dat men veelal binnen de eigen deel-elite huwde. Bij huwelijken tussen personen uit verschillende lagen speelden vrijwel altijd ook strategische overwegingen inzake rijkdom en politieke invloed een belangrijke rol. Evenals de gehele Friese samenleving van de zeventiende en achttiende eeuw werd ook het optreden van haar elite sterk bepaald door patroon-cliëntverhoudingen. De tweede en derde laag zouden we ‘patriciaat’ kunnen noemen. Wie van onderop in deze elite en haar sociëteiten wilde doordringen deed er verstandig aan een goed huwelijk te sluiten, raadsheer te worden of een fortuin in bijvoorbeeld Indië te maken. Een vroedschap- of magistraatszetel gold in veel mindere mate als entreebewijs, vandaar ook dat we nauwelijks Friese ‘stadsregenten’ - ook niet die van Leeuwarden - terugvinden in de ledenlijsten van de meest prestigieuze sociëteiten. Om het Friese patriciaat van de negentiende eeuw te typeren moet in de eerste plaats worden gewezen op de grote betekenis van de Bataafs-Franse tijd. Vanaf 1795 immers kregen ook bemiddelde en lokaal aanzien genietende (inclusief niet-gereformeerde) burgers, onder wie vele kooplieden en academici, bestuurlijke posten. In de periode 1795-1798 konden zelfs personen uit de lagere burgerij veel politieke macht uitoefenen. Vanaf het begin van de negentiende eeuw zien we aan de top van de Friese samenleving een soort integratieproces plaatsvinden. Adel, het ‘oude patriciaat’ (van niet-adellijke grietmannen, premiers en hoge ambtenaren) en een groep van geleerde burgers en nieuwe rijken amalgameert tot wat we een provinciale notabelen-elite zouden kunnen noemen. Deze elite was tevens een samenstel van plaatselijke herenbolwerken. Meer dan in de achttiende eeuw kregen deze negentiendeeeuwse lokale elites, door hun verknoping met verenigingen, sociëteiten en plaatselijke instellingen, een eigen gezicht. Aannemelijk is dat binnen deze elites in de loop van de eeuw een zekere verdeftiging plaatsvond. In dat verband kunnen twee oorzaken worden genoemd: de aanwezigheid van adellijke families die zich steeds meer gingen bemoeien met hun stedelijke omgeving èn de groeiende populariteit van een academische opleiding onder zonen en kleinzonen van kooplieden, groothandelaren, olieslagers, zoutzieders en renteniers. Deze ontwikkeling naar een typisch negentiende-eeuws ‘lokaal patriciaat’, dat de families met de meeste rijkdom, aanzien en invloed van een stad omvatte, deed zich zeker ook voor in Leeuwarden. Onder de negen burgemeesters die sedert het tweede kwart van de eeuw tot 1904 de stad bestuurden komen we vijf patriciërs (twee van hen uit families die al vóór 1795 stadsregenten leverden) en drie edellieden tegen. Van de 75 raadsleden die Leeuwarden tussen 1802 en 1851 telde, behoorde bijna een derde tot het patriciaat, waarvan weer een derde uit oude regentenfamilies; de plaatselijke adel leverde in dit tijdvak slechts twee raadsleden. Prestige en invloed van de leden van dit Leeuwarder patriciaat blijken ook uit hun aanwezigheid in belangrijke provinciale commissies en genootschappen (op de terreinen van landbouw, geneeskunde en cultuur bijvoorbeeld), èn uit hun bestuurlijke betrokkenheid bij lokale instellingen (armenkamer, wees-, gast- en diaconiehuizen etc.) en verenigingen. In tegenstelling tot de adel toonde men nauwelijks interesse voor de waterschappen, ondanks het feit dat menigeen een aanzienlijk grondbezit had en sommige patriciërs grootgrondbezitter waren. Sommige families bezaten al in het laatste kwart van de achttiende eeuw enige grond en boerderijen, anderen speculeerden er op lucratieve wijze mee in de Bataafs-Franse Tijd. Door aankoop en vererving verwierf deze stedelijke elite zich in het eerste driekwart van de negentiende eeuw al maar meer grondbezit. Van de tachtig hoogstaangeslagenen in de grondbelasting van de provincie Friesland behoorde er in 1860 bijna een derde tot de adel en ruim een kwart tot het patriciaat; een twaalftal patriciërs woonde te Leeuwarden, de meesten van hen in een grachtenhuis op de Nieuwestad. Stelde men zich aanvankelijk voor het buitenleven nog tevreden met een “zomerhuis en plaisiertuin” onder de rook van de stad, naderhand kocht menig patriciër een oud adellijk huis ten plattelande of liet op een idyllische plaats een nieuw landhuis bouwen. Gedurende de gehele negentiende eeuw behoorden leden van het patriciaat en de adel tot de top van de welstandselite van de stad. Sommigen van hen waren na 1850 multimiljonair geworden. Alleen zien we wel dat in 1900 een aantal adellijke en ‘oude’ patricische families is verdwenen. Hun plaats is dan inmiddels overgenomen door “kassiers” en ondernemers die eigenlijk pas in het laatste kwart van de eeuw toegang hadden gekregen tot het Leeuwarder patriciaat. Sommige van deze families zijn ook pas recentelijk beschreven in Nederland’s Patriciaat. De veertien families nader bekeken Inventief speurwerk van bekwame genealogen heeft veel opgehelderd over de geografische en sociale herkomst van de in dit themadeel bijeengebrachte families. In het geval van de geslachten Andreae, Bergsma, Bloembergen, Buma en Feenstra hebben we vooraleerst, dat wil zeggen in de zestiende en zeventiende eeuw, te maken met Friese boeren uit de dorpen Hitzum, Engwierum, Katlijk, Deersum en Idskenhuizen. Voor de families Van Sloterdijck, Dorhout en Cats stuiten we op zeventiende-eeuwse koopheden uit Harlingen, Nijbrongerga en Molkwerum. Het verre, zestiende-eeuwse verleden van de Hannema’s en de (naar wordt vermoed uit Vlaanderen afkomstige) Oosterbaans is nauw verbonden met de Harlinger nijverheid. Een zekere Pieter Mulier, wiens voorvaderen in de veertiende eeuw het burgerschap van Rijssel bezaten, zocht zijn geluk in de Republiek eveneens in die sector want hij raffineerde en verhandelde suiker vanaf ongeveer 1750 te Amsterdam; hij woonde daar op de Prinsengracht en zijn zoon trouwde een rijke Friezin, wier van oorsprong Deense vader een vermogen had verdiend bij de VOC. Een militaire loopbaan bracht een vertegenwoordiger van de Zwitserse familie Huber omstreeks 1600 naar onze streken en naar Dokkum. Resteren nog de families Van Heloma en Van Slooten; de eerste kende al in de zestiende eeuw verveners in de omgeving van Heerenveen, de tweede leverde in de eerste helft van de zeventiende eeuw schippers op te Sloten en Harlingen. Willen we echter een scherper beeld krijgen van de latere patricische status van deze families, dan moet ook de vraag aan de orde komen hoe en in welk tempo hun maatschappelijke opkomst verliep. Vanzelfsprekend verschilden zij daarin; een aantal maakte een langzame klim naar boven (Huber en Andreae bijvoorbeeld), maar een familie kon ook stijgen, dan weer dalen en pas heel laat, in de negentiende eeuw, de begeerde positie bereiken (Bloembergen); soms zien we een familie na al vroeg een bepaald, vrij hoog, niveau te hebben bereikt, langdurig stilstaan (Van Heloma), terwijl een andere nagenoeg vanuit het niets in razend tempo een enorm vermogen heeft verworven (Cats). Zien we het juist dan is voor de overgrote meerderheid van de veertien families juist de tweede helft van de achttiende eeuw heel bepalend geweest (als een soort take-off) voor hun latere vooraanstaande plaats in de samenleving. Vanuit de families en hun mannelijke en vrouwelijke leden zelf geredeneerd ging het daarbij om de volgende vijf factoren, die elkaar onderling beïnvloedden en versterkten: rijkdom, politieke invloed, maatschappelijk aanzien, scholing/geleerdheid en alliantie (huwelijksstrategie: wie trouwt met wie?). Globaal gezien kende de Friese economie in genoemde periode een opgaande conjunctuur. Dat gold voor de landbouw, maar tevens voor sectoren als de zoutziederij, cichoreifabricage, distilleerderij, kleiverwerkende industrie, de scheepvaart en de vervening. Daarnaast manifesteerde zich enkele malen - met name in 1748 (Doelistenbeweging), in 1787 (Patriottenbeweging) en in 1795 (Bataafse Revolutie) - de wens van de gezeten, rijkere en geleerde burgerij om meer politieke invloed te krijgen. Tegen deze achtergrond bezien, en rekening houdend met genoemde vijf factoren, zouden we de opkomst van de veertien families nog eens nader kunnen typeren. De families Bergsma en Van Sloterdijck stonden aan de top in de onderlinge hiërarchie omdat zij in de late achttiende eeuw al behoorden tot de regentenelite. Hun opname daarin was nauw verbonden met hun plaats in het politieke patronagestelsel van de stadhouders Willem IV en V. Een in Indië rijk geworden Bergsma was decennia lang premier van Sneek en zijn schoonzoon Bigot werd in 1780 de belangrijkste premier, de zogeheten luitenant-stadhouder, van Friesland. In 1749 werd deze Bergsma, met een geschat vermogen van circa f 130.000, veruit als de rijkste inwoner van Sneek beschouwd. Twee broers Bergsma werden in de jaren tachtig grietman van Dantumadeel en Franekeradeel. Beide hadden ook een aanzienlijk stemdragend grondbezit, terwijl hun moeder in 1788 het grootste stemmenbezit van de gehele provincie bezat. Vanaf omstreeks 1700 trouwden Bergsma’s met jongens en meisjes uit bemiddelde Friese families als De Wendt, Bienema, Zeper en Van Scheltinga. Al in de tweede helft van de zeventiende eeuw gebruikten Van Sloterdijcks de rechtenstudie om hogerop te komen. Dit culturele kapitaal gaf hen vanaf het tweede kwart van de achttiende eeuw het premierschap van Workum en veel later nog, in 1790, dat van Sloten. Daarnaast hadden de Van Sloterdijcks vele andere lucratieve baantjes, ook buiten Friesland, aan stadhouderlijke gunsten te danken. Evenals de Bergsma’s kozen zij ook graag een huwelijkspartner uit bijvoorbeeld de geslachten Van Idsinga, Van Haersma en Bourboom. Eén van hen, Mr. Willem Augustijn van Sloterdijck (1714-1763) - eigenerfde volmacht op de Friese Landdag, baljuw en schout van Hulst en Hulsterambacht, raad ter admiraliteit op de Maze èn dagboekschrijver - is de intrigerende hoofdpersoon van de onlangs verschenen kloeke roman Gewassen vlees van Thomas Rosenboom. In 1749 vinden we leden van het geslacht te Makkum, Harlingen en Workum met geschatte vermogens van bijna f 40.000 tot ruim f 60.000. Verder bezat de familie in 1788 een vrij omvangrijk stemmen- en grondbezit. Toch stond zij aan de vooravond van de Bataafse Revolutie, qua rijkdom en macht, net een treetje lager dan de familie Bergsma. Direct onder dit tweetal kunnen we een groepje van vijf families plaatsen, die door scholingsgraad, dienende functies en rijkdom in het laatste kwart van de achttiende eeuw als het ware gereed stonden de echte, maar tamelijk gesloten, Friese regentenelite binnen te treden. Het betreft hier de geslachten Huber, Andreae, Dorhout, Buma en Van Heloma. Alle vijf hadden reeds toegang tot de Friese Statenvergadering, zowel door deelname aan het stadsbestuur als door stemdragend bezit ten plattelande, soms zelfs via beide wegen. In het geval van Huber, Andreae en Van Heloma vertraagden hun patriotse sympathieën nog even hun opmars naar de politieke top van het gewest; vanaf 1795 was die evenwel onstuitbaar geworden. De families Huber en Andreae waren toen ook nauw met elkaar verzwagerd geraakt. Datzelfde gold al eerder voor de Buma’s en Dorhouten. De enorme rijkdom van sommige van hun negentiende-eeuwse vertegenwoordigers vloeide deels uit hun alliantie voort èn uit geslaagde investeringen van hun (groot-)ouders in grond en huizen. In het derde kwart van de achttiende eeuw waren verscheidene leden van deze families redelijk ‘begoedigt’ met vermogens van f 30 à 40.000, twee generaties later waren sommige van hun nazaten inmiddels miljonair geworden. De familie Huber behoorde in 1749 met vermogens van f 80 à 90.000 tot een rijkere laag dan de families Buma en Dorhout. Bovendien beschikte zij in 1788 over een redelijk stemmenbezit. Het demografische gegeven dat de familie in de negentiende eeuw vele leden telde, maakte de financiële positie van een aantal takken later minder rooskleurig. Het geslacht Van Heloma vormt in dit opzicht een duidelijke tegenhanger. Deze kleine familie van rijke verveners - met geschatte vermogens in 1749 van f 30 à 45.000 - bleef in de negentiende eeuw klein en verdeftigde zich verder door huwelijken, academische studie en hogere functies in bestuur en rechtspraak, met als veilige economische basis haar al ver voor 1800 opgebouwde grondbezit. Komen we hier nog even terug op onze indeling in drie elitelagen uit de vorige paragraaf, dan kan men het tweetal en vijftal zojuist besproken families dus plaatsen in de lagen twee en drie, en ze vanaf nu beschouwen als een deel van het ‘oude patriciaat’ van Friesland (dat wil zeggen van vóór 1795). Vier van deze zeven families (Dorhout, (Beucker) Andreae, Buma en Van Sloterdijck) gingen in de negentiende eeuw tevens behoren tot het deftigste deel van een groep die we het ‘lokale patriciaat’ van Leeuwarden zouden kunnen noemen. De Heloma’s bleven meer in hun stamgebied (Heerenveen en omgeving) hangen, terwijl vele Hubers en Bergsma’s tot de vroege vertrekkers uit Friesland behoorden. Velen onder hen zochten in de late negentiende eeuw hun heil in het verre Nederlands-Indië. Sommigen verwekten kinderen bij inheemse vrouwen en ‘ver-indischten’ in sterke mate. De overige zeven geslachten in dit themadeel ‘verdienden’ hun patricische status eigenlijk pas vanaf de Bataafs-Franse Tijd. Men kan dit zevental (het ‘nieuwe patriciaat’ van Friesland) heel wel onderverdelen in twee groepen: een viertal doopsgezinde families, namelijk Cats, Hamrema, Feenstra en Oosterbaan; en het restdrietal (Haitsma) Mulier, Van Slooten en Bloembergen. Voor alle zeven geldt dat hun invloed en aanzien stevig geworteld was in het lokale notabelendom van Leeuwarden (Cats, Feenstra, Mulier en Bloembergen), Harlingen (Hannema, Oosterbaan, Van Slooten), Dokkum (Feenstra, Van Slooten) en Bolsward (Mulier). Binnen het groepje doopsgezinden neemt de familie Cats een wat aparte plaats in. Veel meer dan de andere drie sloeg zij haar grote slag in de jaren 1795-1820 met spectaculaire aan- en verkopingen van grond en huizen in Leeuwarden en naaste omgeving. Rond 1800 was Pieter Cats (1763-1832) vermoedelijk al de rijkste inwoner van geheel Friesland. Niet voor niets liet hij in Leeuwarden op de Nieuwestad het grootste herenhuis van de stad bouwen en te Oraujewoud bij Heerenveen, op voormalige grond van de stadhouderlijke familie, een nieuw landhuis Oranjestein. Zijn kleinzoon Pieter Heringa Cats, die in 1835 op twaalfjarige leeftijd al met zijn zusje een eerste erfenis van bijna een half miljoen gulden kreeg, bouwde en bewoonde er later, met zijn adellijke echtgenote Maria Albertina de Rotte, het buiten Klein Jagtlust. Bij zijn overlijden in 1880 liet de kinderloze Pieter een boedel ter waarde van een kleine drie miljoen gulden na. Uit onbehagen met zijn overvloed (en wellicht ook uit een zekere afkeer van de door de familie gewenste erfgenaam) schonk hij ruim de helft van zijn vermogen aan zijn personeel en de meer beminde familieleden van zijn vrouw. Zijn rentmeester en een tuinman erfden ieder f 100.000, de koetsier en een opzichter elk f 50.000. De grote rijkdom van de familie Cats, met name van de staak van de eerder genoemde Pieter Cats, verklaart tevens waarom haar zonen en vooral dochters zich in de negentiende eeuw mochten verheugen in een grote belangstelling van trouwlustige edellieden en patriciërs. De families Hannema en Oosterbaan vertegenwoordigen in dit themadeel die al eerder genoemde groep van bemiddelde, doopsgezinde koophandels- en nijverheidsfamilies uit Harlingen. Tot deze groep, met haar eigen huwelijkscircuit, behoorden verder (leden van) families als Fontein, Tuinhout, Stijl, Hingst, Huidekoper, Wiltschut, Schellingwou en Ysenbeek. Echt politieke invloed konden zij in Harlingen pas na 1795 uitoefenen. Aan het einde van de achttiende eeuw werd het vermogen van de rijkste Harlinger (J. Wiltschut) op f 182.000 geschat. Afgaande op fiscale gegevens voor Leeuwarden en Harlingen uit de Franse Tijd en die uit de jaren 1860-1900 (de gemeentelijke belasting van de zogeheten ‘hoofdelijke omslag’) waren de patriciërs uit de Friese hoofdstad aanmerkelijk rijker dan die uit het havenstadje. Een illustratie: in 1900 was Leendert Hannema met een geschat jaarinkomen van f 23.000, de hoogst aangeslagene te Harlingen. In datzelfde jaar was de hoogstaangeslagene van Leeuwarden W.J. van Welderen baron Rengers met een geschat jaarinkomen van f 113.500, terwijl de hoogstaangeslagen patriciër, Joh. Bieruma Oosting (de universele erfgenaam van de opmerkelijke Pieter Heringa Cats), voor f 71.000 genoteerd stond. Maar al in 1870 werden de jaarinkomens van een Dorhout, een Buma en twee Catsen, allen woonachtig in Leeuwarden, op f 37.200 tot f 42.200 geschat. De afwezigheid van immense rijkdom maar misschien toch ook de blijvende doopsgezinde mentaliteit zal ervoor hebben gezorgd dat de Harlinger patriciërs weinig geneigd waren de levensstijl van de Friese landadel geheel na te volgen, zoals een flink deel van het Leeuwarder patriciaat juist wel deed. In zijn in 1913 verschenen Herinneringen verhaalt Mr. H.P.G. Quack dan ook het volgende over het milieu van zijn jeugdvriend Sybrand Jan Hingst, groot jurist en later lid van de Hoge Raad: “Hij stamde af van een Friesche vermogende familie uit Harlingen, en ofschoon zijn ouders reeds jaren lang in Amsterdam leefden, was dat Harlingen, met de aldaar wonende deftige Doopsgezinde gezinnen, de plaats waarheen altijd hun gedachten dwaalden. Wie uit Harlingen kwam werd onmiddellijk gastvrij ontvangen in het huis op de Keizersgracht. (...) Alles was zeer ouderwetsch bij hen aan huis, degelijk en hoogst eenvoudig. Een verstandig beleid ordende het huishouden. (...) De teederheid van ‘t hart scheen weg te schuilen achter eenigszins somberen ernst: aan ‘t gemoedsleven werd niet veel plaats ingeruimd: maar voor de arme lieden opende altijd en altijd zich bij de Hingsten de anders strakke hand.” Zoals de Hannema’s tot in onze eeuw de territoriale, economische en bestuurlijke band met Harlingen vasthielden, zo bleven vele Feenstra’s en Oosterbaans door hun keuze voor het doopsgezinde predikantschap het geloof van hun voorvaderen trouw. Beide laatste geslachten behoorden zeker ook niet tot de vroege vertrekkers uit Friesland (of Noord-Nederland) van onze groep van veertien. In tegenstelling tot de familie Cats (en de geslachten Bergsma en Buma uit het ‘oude patriciaat’) sloten de andere drie doopsgezinde families nauwelijks huwelijken met de adel, ook niet in de twintigste eeuw. Een opvallende uitzondering bij de Feenstra’s is eigenlijk hun ‘grote man’ in de vroege negentiende eeuw, Thijs Feenstra. Hij bewoonde zowel een groot en fraai huis te Leeuwarden als de Schierstins te Veenwouden. Maar als burgemeester van het deftige Leeuwarden was hij vanzelfsprekend verplicht zijn stand op te houden. Hoewel de Muliers in feite slechts drie generaties lang in Friesland woonden, waren de carrières hier van de broers Pieter en Gerrit Nicolaas heel belangrijk voor de latere maatschappelijke status van het geslacht. De eerste trouwde een dochter van de zeer vermogende Mr. J. Haitsma uit Bolsward. Deze bezat veel grond en boerderijen in de grietenij Wonseradeel, waarvan een deel vermoedelijk eens eigendom was van het adellijk geslacht Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg. Alleen al in het dorp Tjerkwerd hadden Pieter en zijn vrouw in de vroege negentiende eeuw zeventien boerderijen in eigendom. Gerrit huwde een dochter uit Schoorsteenstuk afkomstig uit het geslacht Cats en bewoonde met zijn gezin een grachtenhuis op de Leeuwarder Nieuwestad. De huwelijken van de kinderen van de beide broers zorgden in de volgende generatie voor een verdere integratie in de eerste kringen van de provincie. Pas na de uittocht uit Friesland kwamen er veel meer huwelijksbanden met adellijke families. De Muliers waren vaak kleurrijke figuren. Zo vertelde Jkvr. Jeanne van Andringa de Kempenaer in haar Familieherinneringen de volgende anecdote over Mr. Tjepke Mulier, de vader van de bekende sportman ‘Pim’ Mulier die later de Elfstedentocht en de voetbalsport zou introduceren. Tjepke was burgemeester van Wonseradeel (van 1851 tot 1866) en gold als een vurig Oranjeman. Toen hij eens bij een bezoek aan een pachtboer in diens pronkkamer een portret van Thorbecke zag hangen, nam hij met een zwierig gebaar zijn grote hoed af en zei plechtstatig: “Gegroet Groote Meester.” “Het mienheer die goed kent?“, vroeg de verbaasde boer. “Kent? Ik en hij hè de grondwet maakt”. Overigens was het stadsfries dat Mulier hier bezigde vaak ook de taal die de Friese heren op hun sociëteiten met elkaar spraken. Voor de geslachten Van Slooten en Bloembergen gold dat zij pas in de loop van de negentiende eeuw werden opgenomen in het toenmalige Friese patriciaat. Nu hadden Van Slootens al aan het einde van de achttiende eeuw plaatsgenomen op de zetels van de stadsregering van Dokkum, maar pas door rechtenstudie, deelname aan het lokale bestuur en huwelijken, ondermeer met een freule Van Sminia en een Jhr. Van Swinderen, werd de patricische reputatie van de familie echt veilig gesteld rond 1900. De meeste Van Slootens behielden overigens, juist ook in onze eeuw, datgene wat als een familietraditie mag gelden, namelijk hun voorkeur voor het vrije ondernemerschap èn de binding met Friesland. Hier ligt een zekere overeenkomst met de familie Bloembergen die ook lang trouw bleef aan Friesland en aan de branche die haar vanaf de vroege negentiende eeuw succes bracht, namelijk het bankierschap voor de bemiddelden en superrijken te Leeuwarden. Bovendien hadden Bloembergens in deze stad spilfuncties binnen de vrijmetselaarsloge en de liberale kiesvereniging. Het overbekende last but not least is zonder twijfel van toepassing op deze familie die in onze eeuw senatoren en hoogleraren voortbracht, onder wie een Nobelprijswinnaar. Tenslotte, hoe vertegenwoordigde het Friese patriciaat het gewest naar buiten toe in de negentiende eeuw? Nemen we als maatstaf daarvoor zijn betrokkenheid bij het Nederlandse parlement. Van de veertien in dit deel van Nederland’s Patriciaat gepubliceerde families leverde de helft zeven Tweede-Kamerleden tussen 1830 en 1900. In totaal werden in dat tijdvak negentien Friese patriciërs afgevaardigd, dat is precies een derde van het totale aantal uit Friesland afkomstige Tweede-Kamerleden. Welke politieke kleur hadden die patriciërs? Het ligt voor de hand dat we ons dan richten op de periode 1848-1900. Van de in totaal veertig uit Friesland afkomstige kamerleden waren zevenentwintig liberaal, acht conservatief, vier anti-revolutionair en één vrij-socialist. Van de twaalf patriciërs was driekwart liberaal. Ook onder onze veertien families waren de (oud-)liberalen aan het einde van de negentiende eeuw in de meerderheid. Aanvankelijk had nog een deel van het ‘oude patriciaat’ meer sympathie voor de stroming van het conservatief-liberalisme rond de Amsterdammer Van Hall, terwijl een kleine minderheid, onder wie leden van de geslachten Andreae en Buma, ten tijde van Thorbecke conservatief was. Binnen de familie Huber bestond aan het einde van de eeuw overigens sterke sympathie voor de anti-revolutionairen. Rond 1900 hadden de meeste leden van onze families Friesland verlaten. Al voor de komst van de grote agrarische crisis aan het einde van de jaren zeventig was dit vertrek flink op gang gekomen. Belangrijke oorzaken van deze uittocht lijken met name de aspiraties van velen elders een interessante functie in overheidsdienst te bekleden (in dat opzicht bood Friesland zelf te weinig banen) en de na 1851 duidelijk afgenomen belangstelling voor het burgemeestersambt op het Friese platteland (vele Friese gemeenten kwamen in de tweede helft van de eeuw, en vooral na 1878, in grote financiële problemen). De agrarische crisis deed het (groot-)grondbezittende deel van het Friese patriciaat zeker niet spectaculair verarmen, maar veroorzaakte op termijn wel een dusdanig roerig sociaal klimaat dat menig patriciër liever naar een stad of streek verhuisde waar het rustiger wonen was. Bovendien hadden er elders in Nederland in de loop van de negentiende eeuw infrastructurele en economische veranderingen plaatsgevonden die Friesland tot een meer perifeer gebied hadden gemaakt. Kansen voor industrialisatie waren hier niet overvloedig en tegen die achtergrond bezien wordt ook begrijpelijk waarom het gewest weinig grote ondernemers voortbracht en waarom van die weinigen een meerderheid haar talenten elders gebruikte. Naar nieuw onderzoek In het voorgaande hebben we gezien hoe een veertiental families zijn weg vond naar de top van de Friese samenleving van de negentiende eeuw. Het grootste probleem van hen die zo’n positie eenmaal bereikt hebben dient zich echter dan pas aan: hoe haar te behouden? Laten we hier nog even terugkeren naar Louis Couperus’ Boeken der kleine zielen. Voortdurend wordt er in de roman op gezinspeeld dat ‘de’ familie desintegreert, in verval raakt. Het grote, omvattende familiegevoel kwijnt weg: de banden tussen ooms en neven, tussen tantes en nichten, ja tussen broers en zusters worden al maar losser. Niet langer kiest men een beroep en een partner vanuit het familiebelang. De familie waar het in deze roman allemaal om draait bezit een indisch-aristocratisch verleden maar moet zich in het Haagse opnieuw bewijzen. De werelden van de broers en zusters van de tweede generatie vallen uiteen. Sommigen verburgerlijken, worden ‘kleine zielen’, anderen kiezen voor de kunst of voor het spiritisme, in ieder geval niet voor een carrière en geld. Wie tracht van de gehele groep van veertien families of van een individuele familie een algemene karakteristiek te geven van hun of haar ontwikkeling in de twintigste eeuw, stuit onmiddellijk op een welhaast verwarrende complexiteit. Qua beroep en opleiding kregen de families een veel heterogener karakter. Bovendien hebben veel vrouwen thans een studie gevolgd en hebben velen van hen een baan. Verder kent menig geslacht nu ook buitenlandse takken. Ook demografisch gezien is er veel veranderd: gezinnen werden kleiner en niet de dood in het kraambed maar echtscheiding ontbond vele huwelijken. En evenals in de door Couperus geportretteerde familie kozen in onze eeuw broers en zusters vaak een eigen weg. Voor wie zich realiseert dat het grootgrondbezit en de familiebedrijven van de negentiende eeuw niet meer verscheidene familieleden uit ‘de groep van veertien’ een gegarandeerd inkomen geven, ligt dit alles voor de hand. Gezamenlijk bezit genereerde ooit familiebesef. Betekent dan de verdwijning van dat bezit ook de definitieve ontbinding van bijvoorbeeld familietradities en -gevoelens? Ongetwijfeld was ‘de familie’ voor onze voorouders uit de negentiende eeuw een zeer belangrijke institutie en vervulde zij meer functies voor hen dan thans voor ons. Hier ligt onmiskenbaar een breuk en sommige van Couperus’ romanfiguren vatten de minder dominante positie van het familieverband op als een soort moreel verval. Wie dit themadeel zorgvuldig bestudeert zal overigens zien dat ook al voor 1900 takken van één geslacht aanzienlijk van elkaar verschilden in maatschappelijk fortuin en oriëntatie. Wat is nog precies de waarde van familiebesef, van familiegevoel, van genealogische kennis aan het einde van de twintigste eeuw? Schept juist kennis van het familieverleden niet weer mogelijkheden tot identificatie met bepaalde (meestal in het leven geslaagde) voorouders die vervolgens weer leidt tot nieuwe maatschappelijke ambities en aspiraties, tot nieuwe inspanningen om ‘boven te blijven’? Zijn onze veertien families in dat opzicht niet klassiek-burgerlijk gebleven? Bovendien, zoals Max Weber al eens treffend opmerkte: ‘Glück sol1 legitim sein.’ Hier ligt een interessant terrein braak voor historisch en cultureel-antropologisch onderzoek. Juist dit themadeel van Nederland’s Patriciaat biedt daarvoor vele aanknopingspunten. Wie nauwkeurig let op wie met wie trouwde binnen dit Friese patriciaat kan zich niet aan de indruk onttrekken dat ook binnen deze op zich toch niet heel grote groep min of meer aparte connubia bestonden en dat sommige families veel vaker dan andere allianties hadden met adellijke of patricische families. Reconstructie van connubia en met name van de veranderingen daarin verdient een hoge plaats op de onderzoeksagenda van hen die menen dat er in het Nederland van na 1850 een zogeheten ‘nationale elite’ ontstond. Sommige van de veertien families kunnen wijzen op een eigen Friese lieu de mémoire. Zo bezitten de families Buma en Dorhout familiebegraafplaatsen te Weidum en Leeuwarden. Ook vele woningen waarin de in dit themadeel genoemde patricische gezinnen eens woonden in Friesland bestaan thans nog. Wie in Harlingen in de Voorstraat, vanouds de elitestraat, het streekmuseum opzoekt, betreedt een herenhuis waar tot in onze eeuw vele generaties Hannema hebben gewoond. Precies aan de andere zijde van de straat staat trouwens het huis waarin een bekende collega van Couperus werd geboren, namelijk de schrijver Simon Vestdijk, een gedreven observator van het Friese en het Nederlandse burgerdom. Yme Kuiper (Rijksuniversiteit Groningen)
Wijzigingen in de afgelopen 30 dagen
|







Voorna(a)m(en)
